062. Bijbelstudie over het
In Lucas 22:1 staat geschreven: “Het feest nu der ongezuurde broden dat Pesach [Pascha] genoemd wordt, naderde” en in vers 7: “De dag der ongezuurde broden kwam, waarop het Pesach [Pascha] moest geslacht worden.” Iets verderop, in vers 15, zegt Yeshua: “Ik heb vurig begeerd dit Pesach met u te eten, eer Ik lijd.” Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] schrijft in zijn eerste brief aan de Korinthiërs met betrekking tot het feest der ongezuurde broden het volgende: “Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons Zevach-Pesach [NBG: Paaslam, SV: Pascha] is geslacht: de Mashiach [Christus]. Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid” (1 Korinthiërs 5:6-8). Volgens Sha’ul is de Mashiach dus het Lam dat voor ons geslacht is en ook Yochanan haMat’bil [Johannes de Doper] noemt Yeshua het Lam G’ds (]nxvy Yochanan [Johannes] 1:29). Bij het lezen van deze teksten rijst bij velen de concrete vraag: hoe kon Yeshua het Zevach-Pesach [Paaslam] eten en tegelijkertijd zelf het Zevach-Pesach zijn, dat voor ons geslacht is? Met andere woorden: als Hij het Offerlam gegeten heeft op hetzelfde tijdstip waarop alle Israëlieten het aten, dan kan Zijn lijden en sterven op de volgende dag onmogelijk in verband gebracht worden met het offeren van het lam, maar als Yeshua daarentegen gestorven is op hetzelfde tijdstip waarop het offerlam werd geslacht, dan neemt Hij weliswaar inderdaad symbolisch de plaats in van het Zevach-Pesach, maar Hij kan dan onmogelijk op de vooravond de Pesach-Seder gevierd hebben omdat deze volgens het evangelie van Yochanan pas op de avond na Zijn sterven plaats vond (]nxvy Yochanan [Johannes] 18:28). De drie synoptische evangeliën lijken daarom dus in tegenspraak te zijn met dit laatste evangelie. Wie heeft gelijk?
Feiten en vragen
Laten wij even de feiten op een rijtje zetten: 1. Er heeft op de vooravond van Zijn lijden en sterven een rituele maaltijd plaats gevonden. Dat wordt door alle vier evangelisten vermeld. (Mt 26:20-30, Mc 14:17-26, Lc 22:14-20, Joh 13:1-30). 2. Bij deze maaltijd is er sprake van meerdere bekers wijn (Lc 22:17 en 20) en er wordt een brood gebroken (Mt 26:26, Mc 14:22, Lc 22:19), hetgeen slechts mogelijk is als dit brood ongezuurd is. Gezuurde broden kan men namelijk niet breken, maar slechts uit elkaar scheuren. Verder wordt ook nog het dopen in de schotel vermeld (Mt 26:23, Mc 14:20, Joh 13:26). 3. De maaltijd werd afgesloten met het zingen van de Halel-psalmen (Mt 26:30, Mc 14:26). Al deze details laten duidelijk zien dat hier inderdaad bij het begin van de 14e Nisan de Sedermaaltijd gevierd werd en er derhalve geen sprake kan zijn van een gewone avondmaaltijd. 4. Yeshua stierf op de namiddag van de 14e Nisan in het negende uur (Mt 27:46, Mc 15:34, Lc 23:44), dat is 15:00 uur in de moderne tijdrekening en volgens de Joodse traditie is dit precies het tijdstip waarop in de voorhoven van de tempel de schapen geslacht werden. 5. Het lichaam van Yeshua mocht niet aan het kruis blijven hangen omdat deze 14e Nisan de Voorbereidingsdag was en na zonsondergang de Shabat zou beginnen, want deze Shabat was groot (Joh 19:31). Dat wil zeggen: het was niet de gewone wekelijkse Shabat, maar een hoogtijdag: de eerste dag van Chag haMatzot [het feest der ongezuurde broden], de 15e Nisan! 6. De Farizeeën en ook de Sadduceeën aten het Paasoffer op de 15e Nisan na zonsondergang en daarom mochten zij zich op de 14e Nisan niet ritueel verontreinigen (Joh 18:28). Dat zijn allemaal feiten, maar deze feiten roepen opnieuw vragen op: Als Yeshua en Zijn Talmidim [discipelen] de Pesach-Seder 24 uur eerder vierden dan de Farizeeën en Sadduceeën, was er dan sprake van een overtreding van de Tora of bestonden er soms twee tradities naast elkaar? En als dat laatste inderdaad het geval was, welke was dan algemeen gebruikelijk? Waar en wanneer werden de schapen geslacht en wanneer werden zij gegeten? Werden de Pesachim [Paasoffers] tegen het einde van de 14e Nisan geslacht en bij het begin van de 15e Nisan gegeten of vonden zowel het slachten alsook het eten plaats op de 14e Nisan? Was men daar vrij in of was men gebonden aan bepaalde vaste, door de Eeuwige zelf voorgeschreven tijdstippen? Dat brengt ons meteen tot de belangrijkste vraag, namelijk wanneer wij als messiasbelijdende gelovigen de Pesach-Seder moeten vieren: op de 14e Nisan zoals Yeshua deed of op de 15e Nisan zoals de Joodse traditie voorschrijft? Al deze vragen zijn niet zo eenvoudig te beantwoorden en de meningen daarover zijn dan ook zeer verdeeld. In feite is het eigenlijk maar een kleine minderheid die de Sederavond consequent bij het begin van de 14e Nisan viert. De overgrote meerderheid houdt de officiële Luach [rabbijnse agenda] aan en viert dit 24 uur later, op de avond van de 15e Nisan, want het ligt nou eenmaal in de natuur van de mens om zich bij de grote massa aan te sluiten. Dat is altijd de veiligste weg, maar dat wil nog niet zeggen dat bij de meerderheid ook automatisch de waarheid te vinden is. De overgrote meerderheid van de christenen herdenkt bijvoorbeeld de Goede Vrijdag, maar is Yeshua ook daadwerkelijk op een vrijdag gestorven? Nee, natuurlijk niet! Een eenvoudig rekensommetje toont aan dat er geen sprake kan zijn van drie dagen en drie nachten, en zo is het ook met de Sederavond. Ook hier is een eenvoudig rekensommetje voldoende om een eerlijk antwoord op de boven genoemde vraag te verkrijgen, maar blijkbaar weegt de traditie in beide gevallen zwaarder dan het gezonde verstand, zwaarder dan de historische feiten en zwaarder dan G’ds Woord!
Tussen de beide avonden
Het officiële standpunt van het rabbijnse Jodendom ten
aanzien van de Pesach Seder is, dat deze op de
avond van de 15e Nisan gevierd dient
te worden nadat de 14e Nisan
geëindigd is, niet eerder, want volgens de traditie is het offerlam namelijk
pas in de namiddag geslacht. Men beroept zich hiervoor o.a. op de bekende
Joodse geschiedschrijver Josephus Flavius die
in zijn werk “De Bello Judaico” (Joodse
Oorlogen) melding maakte van het slachten van de Pesach-offerdieren
van het negende tot het elfde uur (15:00 tot 17:00 uur) en de Talmud met de volgende citaten uit de Mishna Pesachim V, de
secties 1 en 3: “Het dagelijkse offer wordt geslacht om acht en een half uur
(14:30 uur) en op het altaarvuur gebracht om negen en een half uur (15:30 uur).
Op de dag voor Pesach wordt het geslacht om
zeven en een half uur (13:30 uur) en op het altaarvuur gebracht om acht en een
half uur (14:30 uur); zowel op een werkdag als op Shabat.
Valt de dag voor Pesach zo, dat hij op de dag
voor Shabat is, dan wordt het geslacht om zes
en een half uur (12:30 uur) en op het altaarvuur gebracht om zeven en een half
uur (13:30 uur). En steeds het Zevach-Pesach
[Paasoffer] erna. - Heeft men het geslacht vóór de middag, dan is het ongeldig;
omdat er gezegd is: ‘tussen de beide avonden’. Heeft men het geslacht vóór het
dagelijkse Namiddagoffer, dan is het geldig, mits er iemand blijft
roeren in het bloed ervan, totdat het
Ook de Talmud, de Mishna, het boek der Jubileeën en de werken van Josephus en Philo, die als bewijsvoering worden aangedragen, kunnen deze in mijn ogen verkeerde traditie niet legitimeren. De gedetailleerde rabbijnse voorschriften in al deze boeken kunnen niet aantonen dat zij van g’ddelijke oorsprong zijn. Zij laten slechts zien dat deze voorschriften blijkbaar reeds tijdens de tweede tempelperiode werden nageleefd, maar zij leveren onvoldoende bewijs dat dit ook in de tijd van Moshe het geval zou zijn geweest. De hele Talmud is immers slechts het resultaat van Farizeese interpretaties en geniet zeker niet dezelfde autoriteit als de Tora. Integendeel! Yeshua zelf heeft ten opzichte van de rabbijnse voorschriften aangaande de rituele handwassing en het onderdompelen ofwel kasheren van bekers, kannen en koperwerk gezegd: “Terecht heeft Yeshayahu [Jesaja] van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn. Gij verwaarloost het gebod G’ds en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod G’ds stelt gij wel fraai buiten werking om uw overlevering in stand te houden. Want Moshe heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is qorban, dat is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord G’ds krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele.” (Marcus 7:6-13). Wij zien hier dat Yeshua bepaald niet positief stond tegenover de overlevering en de vele rabbijnse geboden en leringen die wij weliswaar in de Talmud tegenkomen, maar heel vaak in strijd zijn met Tora. Dat in deze tekst slechts enkele voorbeelden genoemd zijn van een groter geheel blijkt uit de toevoeging: “En dergelijke dingen doet gij vele.” Zo kunnen wij in dat rijtje uiteraard ook het reeds genoemde verplaatsen van de avondoffers naar de namiddag opnemen alsook het vieren van de Pesach-Seder op de avond van de 15e Nisan i.p.v. de 14e. Verder staat er overigens ook nergens in de Tora dat de Pesachim [Paasoffers] door de priesters of levieten geslacht moesten worden of dat dit in de voorhoven van de tempel moest gebeuren. Dat zijn allemaal menselijke inzettingen zoals Yeshua pleegde te zeggen: “Van den beginne is het niet zo geweest” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 19:8). Daarom waarschuwde Yeshua Zijn discipelen nadrukkelijk: “Ziet toe en wacht u voor de chametz [zuurdesem] der Farizeeën en Sadduceeën. Zij bespraken dit onder elkander en zeiden: Dat is, omdat wij geen broden medegenomen hebben. Toen Yeshua dat bemerkte, zeide Hij: Waarom spreekt gij met elkander erover, kleingelovigen, dat gij geen broden hebt? Ziet gij het nog niet in en herinnert gij u niet de vijf broden der vijfduizend en hoeveel manden gij medenaamt? Of de zeven broden der vierduizend en hoeveel korven gij medenaamt? Hoe begrijpt gij niet, dat Ik u niet van broden sprak? Maar wacht u voor de chametz [zuurdesem] der Farizeeën en der Sadduceeën. Toen zagen zij in, dat Hij hun niet gezegd had zich te wachten voor de chametz [zuurdesem] der broden, maar voor de leer der Farizeeën en Sadduceeën.” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 16:6-12). Hoe toepasselijk is deze tekst toch met betrekking tot de verkeerde Farizeese tradities en leerstellingen betreffende Pesach en het Feest der ongezuurde broden.
Bijbelse definitie van “avond”
Mag ik u vragen wie het etmaal heeft uitgevonden? U weet wel, het slimme systeem dat een kalenderdag in 24 uren indeelt? Waren het de Joden, de Grieken of de Romeinen? Wel, geen van allen: het was de Eeuwige zelf! En wanneer heeft Hij dit bedacht? In den beginne, want er staat geschreven: “In den beginne schiep G’d de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest G’ds zweefde over de wateren. En G’d zeide: Er zij licht; en er was licht. En G’d zag, dat het licht goed was, en G’d maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En G’d noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 1:1-5). Wanneer begint het etmaal? Is het om middernacht zoals wij dat nu gewend zijn of in de ochtend bij zonsopgang, in de middag of in de namiddag? Kijk maar wat er verder staat in vers 5 van de zojuist geciteerde tekst uit de Tora: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag”, in vers 8: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag”, in vers 13 en 14: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag. En G’d zeide: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren”, in vers 19: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag”, in vers 23: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag”, in vers 31: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag”, en tenslotte vers 2 en 3 van hoofdstuk 2: “Toen G’d op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En G’d zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat G’d scheppende tot stand had gebracht.” - Heeft u het gezien? Elke nieuwe kalenderdag begint dus met de avond. De avond is het begin van het etmaal. De avond, in het Hebreeuws bri erev, is de overgang van de ene dag naar de andere, het tijdstip waarop de ene dag eindigt en de volgende dag begint. Dit principe komt bijzonder scherp naar voren bij de inzetting van Yom Kipur [de Grote Verzoendag] in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 23. Laten wij bij vers 27 beginnen: “Op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en de Eeuwige een vuuroffer brengen. Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d” en dan in vers 32: “Het zal u een volkomen Shabat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij uw Shabat vieren.” Ziet u het? De uitdrukking “van avond tot avond”, in het Hebreeuws bri9di brim me’erev ad-erev, wordt hier gebruikt om daarmee het etmaal af te bakenen. De Grote Verzoendag, die volgens vers 27 op de tiende van de maand Tishri wordt gehouden, begint volgens vers 32 reeds op de avond waarop de negende Tishri eindigt en loopt door tot de volgende avond waarop de tiende eindigt. Het is dus onjuist om te veronderstellen dat de Verzoendag reeds op de negende zou beginnen. Hier wordt duidelijk met “avond” bedoeld dat de negende op dat tijdstip eindigt en de tiende begint. En zo is het ook met de wekelijkse Shabat, die op vrijdagavond bij zonsondergang begint en op zaterdagavond eindigt. Hetzelfde principe wordt met betrekking tot Chag haMatzot [feest der ongezuurde broden] ook in tvm> Sh’mot [Exodus] 12:18 toegepast: ”In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, des avonds (brib ba’erev), zult gij ongezuurde broden eten, tot aan de eenentwintigste dag der maand, des avonds (brib ba’erev).” Dit wil dus zeggen dat het om een periode van 7 maal 24 uur gaat. De Matzot [ongezuurde broden] worden dus gegeten vanaf de avond waarop Pesach op de 14e Nisan eindigt en Chag haMatzot op de 15e Nisan begint, zeven dagen lang, tot de avond waarop de 21e Nisan eindigt. Het waren oorspronkelijk immers twee aparte feesten. Het is dus duidelijk dat de avond de overgang is van de ene dag naar de volgende dag. Door de zonsondergang ontstaat dan de avondschemering dat een mengsel is van licht en duisternis. Daarom heet deze korte tijd van schemering in het Hebreeuws ook bri erev met een lvgc segol (drie puntjes onder de i ayin) omdat er een nauwe relatie bestaat met het woordje bri erev met een rcx hryj tzeire chaser (twee puntjes onder de i ayin), dat “mengsel” betekent. De avondschemering bij zonsondergang is dus het begin van de nacht en het ochtendgloren bij zonsopgang is het begin van de dag. De 24 uren van het etmaal, worden sinds bijbelse tijden verdeelt in 12 uren voor de nacht en 12 uren voor de dag, want Yeshua heeft gezegd: “Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” (Joh 11:9-10). Dat de bijbelse dagindeling van 6:00 uur ’s morgens (het eerste uur) tot 18:00 uur ’s avonds (het twaalfde uur) loopt zien wij behalve in het lijdensverhaal, waarin staat dat Yeshua op het zesde uur werd gekruisigd en op het negende uur stierf, ook in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard in Mt 20:1-16. We gaan het nu niet helemaal lezen, maar ik wil er wel op wijzen dat de heer des huizes in vers 3 omstreeks het derde uur (9:00 uur) naar buiten ging om arbeiders in te huren en in de verzen 5 en 6 lezen wij: “Omstreeks het zesde en het negende uur (12:00 en 15:00) ging hij weer naar buiten en handelde evenzo. Toen hij omstreeks het elfde uur naar buiten ging, vond hij nog anderen staan en zeide tot hen: Waarom staat gij hier de gehele dag werkloos?” Waarom zegt hij “de gehele dag”? Wel, omdat het elfde uur in de moderne tijd 17:00 uur is, en de dag immers met het twaalfde uur eindigt, dus om 18:00 uur. Dan begint namelijk de nieuwe kalenderdag bij zonsondergang.
Kwart miljoen schapen
De term bein haArbayim geeft
dus de avondschemering aan en Erev [avond] is
de overgang van de ene kalenderdag naar de andere. Nu wij de juiste betekenis
van deze beide termen weten, begrijpen
wij dat het slachten van de offerdieren volgens de Tora
oorspronkelijk onmogelijk in de namiddag kon hebben plaatsgevonden, maar juist
in de avondschemering bij het begin van de veertiende Nisan,
zoals ook in i>vhy Y’hoshua
[Jozua] 5:10 staat geschreven: “Terwijl de Israëlieten te Gil’gal gelegerd waren, vierden zij het Pesach op de veertiende dag van de maand, des avonds
(brib
ba’erev), in de vlakten van Yericho.” Er zijn echter ook nog andere bewijzen
die wij later in een vervolgstudie zullen doornemen, maar laten we nu eerst
kijken naar het exacte aantal schapen en de maximaal beschikbare tijd om dezen
te kunnen slachten. Volgens Josephus Flavius
begon men dus in de namiddag rond het negende uur (15:00 uur) en ging ermee
door tot het elfde uur (17:00 uur). Volgens andere bronnen begon men reeds om
zeven en een half uur (13:30 uur) en ging men door tot het twaalfde uur (18:00
uur). Dat laatste lijkt mij niet erg geloofwaardig gezien het feit dat de
priesters enige tijd nodig hadden om zich na het slachten ritueel te reinigen
voor de Yom Tov [feestdag], die juist op dat
tijdstip begon. Maar om een kleine indruk te krijgen hoe het slachten van de Pesachim [Paasoffers] in de voorhoven van de tempel
precies in zijn werk ging, lezen wij het volgende citaat uit de Mishna: “Het Zevach-Pesach
[Paasoffer] werd geslacht in drie groepen want er is gezegd: ‘Dan moet het slachten
de gehele vergadering van de gemeente van lsraël’. ‘Vergadering’ en ‘Gemeente’
en ‘lsraël’. De eerste groep ging naar binnen, en was het tempelbinnenhof vol,
dan sloot men de deuren van het binnenhof. Men blies nu een gerekte, een alarm-
en een gerekte toon. De priesters stonden in rijen en in hun handen hadden zij
zilveren schalen en gouden schalen; hier een rij, die uitsluitend zilveren,
daar een rij, die uitsluitend gouden had; zij waren niet door elkaar. En de
schalen hadden geen platte bodem, omdat zij ze anders misschien zouden
neergezet hebben en het bloed gestold zou zijn. Een gewone Israëliet slachtte;
maar een priester ving het bloed op. Deze gaf het zijn naaste en zijn naaste
aan diens naaste; hij nam de volle schaal aan en gaf de ledige terug. De
priester, die het dichtst bij het altaar stond, wierp het bloed in een worp
juist boven het voetstuk van het altaar. Was de eerste groep naar buiten
gegaan, dan kwam de tweede groep binnen; en was later de tweede groep naar
buiten gegaan, dan kwam de derde binnen. Als de verrichtingen van de eerste,
waren ook de verrichtingen van de tweede en de derde. Ze zongen het Halel; indien ze het geëindigd hadden, herhaalden ze
het en als ze het tweemaal gezongen hadden, deden ze het de derde keer,
alhoewel het nooit voorgekomen is, dat ze het driemaal gedaan hebben. Rabbi Yehuda zegt: nooit is het gebeurd, dat de derde
groep gekomen is tot ‘Ahav’ti ki Yish’ma’,
omdat haar mensen weinig in aantal waren. Zoals de wijze van doen was op een
werkdag, zo was de dienst ook op Shabat; maar
dat de priesters ook dan het voorhof schoon spoelden, was niet met goedvinden
der geleerden. Rabbi Yehudi zegt: een beker
vulde men met het gemengde bloed en wierp het in een worp naar het altaar. Maar
de andere geleerden waren het niet met hem eens. Hoe hing men de geslachte
offerdieren op en trok men hun de huid af? IJzeren haken waren bevestigd aan de
muren en aan zuilen, aan welke men ze ophing, waarna men de huid aftrok. En
voor ieder die geen plaats had, om zijn offerlam op te hangen en zo van de huid
te ontdoen, waren daar dunne gladde stokken; hij legde één daarvan op zijn
schouder en op de schouder van een ander, hing het lam eraan en trok de huid
af. Rabbi Eli'ezer zegt: viel de veertiende Nisan zo, dat hij op Shabat was,
dan legde hij zijn hand op de schouder van de ander en werd de hand van de
ander op zijn schouder gelegd en dan hing hij het lam op en trok de huid af.
Men sneed het offerlam open en haalde zijn offerdelen eruit, legde deze in een
schaal, om ze in rook te doen opgaan op het altaar. De eerste groep kwam naar
buiten en zette zich neder op de tempelberg; de tweede in de omrasterde ruimte
en de derde bleef op haar plaats. Was het donker geworden, dan gingen allen weg
en braadden hun Pesachim [Paasoffers].” (,yxcp Pesachim V,
5-10). Tot zover het verslag uit de Mishna. Josephus Flavius
vult dit aan in zijn werk: "Zo bevonden de priesters dat de
offeranden - na afloop van het feest dat Pesach
wordt genoemd, wanneer zij van het negende tot het elfde uur [van 3-5 uur 's
middags] hun [Pesach-] offerdieren slachten,
zodanig dat bij elk offer een groep van niet minder dan tien personen hoort -
het aantal van tweehonderd en zesenvijftigduizend vijfhonderd [256.500] beliep,
wat [gezien de toelating van minstens tien personen per offerande voor dat
feest] neerkwam op tweemiljoen zevenhonderdduizend en tweehonderd [2.700.200]
personen, die heilig en rein waren" (Wars of the Jews, bk. 6, chap. 9,
sec. 3). Wat
valt ons bij het lezen van de Mishna en het
verslag van Josephus op? Twee dingen: dat het
enerzijds om een gigantisch groot aantal offerdieren ging, maar dat het
slachten daarvan bijzonder omslachtig, tijdrovend en ruimtelijk beperkt aan toe
ging in de voorhoven van de tempel. Stel dat men per schaap tien minuten nodig
had om het te slachten en er per uur slechts zes groepen van elk honderd man in
de voorhoven van de tempel konden, dan werden er per uur hooguit 600 schapen
geslacht. Zelfs als het slachten naar voren geschoven zou zijn en men reeds om
13:30 uur begon en ermee doorging tot 18:00 uur, dan nog kon men in die 4 ½ uur
niet meer dan 3000 schapen slachten. Maar Josephus
Flavius noemt het getal van 256,500, dus meer dan een kwart miljoen!
Voor dat gigantische aantal offerdieren zou men in totaal 417 uren nodig
hebben, meer dan 17 dagen, om non-stop te slachten. Zelfs als Josephus zich vergist zou hebben en een nul te veel
zou hebben geplaatst, dan zou men ook voor 25.000 schapen evengoed nog ruim 40
uur nodig hebben. Het was dus onmogelijk en er moest dus op een andere manier
plaats gevonden hebben. Maar welke?
Het is duidelijk: de ruimte in de voorhoven van de tempel alsook het aantal groepen was ontoereikend om alle offerdieren van het hele volk binnen de beschikbare tijd te kunnen slachten. Maar wie zegt eigenlijk dat dit uitsluitend in de tempel mocht gebeuren en niet elders? Wie zegt dat de priesters en levieten daarmee belast zouden zijn? Ik heb reeds eerder aangegeven dat dit een menselijke inzetting was, die van den beginne niet zo geweest is. Deze tempelpraktijk werd in de tijd van Yeshua slechts door de Farizeeën en de Sadduceeën gehandhaafd, maar niet door het gehele volk. De Joodse geschiedschrijver Philo Judaeus (± 30 v.C.-45 n.C.) had het in een van zijn werken over "de dag die de Hebreeën in hun eigen taal Pesach noemen, de dag waarop het gehele volk, niemand uitgezonderd, offert zonder op de priesters te wachten, omdat de Tora de hele natie voor één speciale dag in het jaar het recht van priesterschap heeft toegekend om zelf offers te brengen" (De Decalogue, p. 159). Ook zegt Philo: "Na nieuwe maan komt het vierde feest, ter herinnering van de uittocht, door de Hebreeën Pesach genoemd. Bij dit feest worden ontelbare slachtdieren geofferd door het gehele volk, door jong en oud, dat voor die bijzondere dag tot de waardigheid van het priesterschap wordt verheven. Volgens de wetsverordening verrichten de priesters bij andere gelegenheden zowel de openbare als de particuliere offeranden. Maar bij deze gelegenheid verricht het hele volk de priesterlijke plechtigheden en handelingen" (De Spec., leg. 2, p. 45). De Talmud beschrijft dat de priesters en Levieten in de tijd van Yeshua belast waren met het toezicht op het slachten van het Zevach Pesach in de voorhoven van de tempel, maar de geschiedenis laat duidelijk zien dat veel Joden in Jeruzalem hun offerdieren thuis op hun eigen erf gingen slachten in in een tentenkamp rondom Jeruzalem binnen de stadsgrenzen. Een simpele rekensom leert namelijk dat het volslagen onmogelijk zou zijn geweest om in de voorhoven van de tempel aan zovele tientallen duizenden Pesach-lammeren ruimte te bieden. Daarom moeten in de tijd van Yeshua vele, zo niet de meeste Joden hun eigen Pesach-lammeren hebben geofferd in het gebied van Jeruzalem (ter nakoming van het gebod in Deut. 16:5-6), maar niet op het tempelterrein zelf. Zoals Philo duidelijk zegt, hielden veel Joden zich nog trouw aan het bijbelse gebod van 'Pesach-aan-huis' door, op de plaats waar ze in en rond Jeruzalem verbleven, hun eigen Pesach-lammeren te slachten, want er staat geschreven: “En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van Israël het slachten in de avondschemering” (tvm> Sh'mot [Exodus] 12:6). De gehele vergadering wil dus zeggen: iedere Israëliet! In feite staat nergens in de Tora een nadrukkelijke opdracht dat dit door de priesters gedaan moest worden in G’ds tempel. Wat we echter wel zien, is dat, toen het volk ten tijde van koning Hizkia voor de plechtigheid grotendeels onrein bleek te zijn, de Levieten het offeren van de Pesach-lammeren plaatsvervangend voor hen deden: “Toen zond Y’chiz’qiyahu [Jechizkia] een boodschap tot geheel Yisra’el [Israël] en Yehuda [Juda], ja, zelfs schreef hij brieven aan Efrayim [Efraim] en M’nashe [Manasse], dat zij zouden komen naar het huis van Adonai te Jeruzalem, om voor de Eeuwige, de G’d van Israël, het Pesach te vieren (tv>il la’asot). En de koning, zijn oversten en de gehele gemeente te Jeruzalem overlegden, dat zij het Pesach zouden vieren (tv>il la’asot) in de tweede maand, want zij konden het op de gewone tijd niet vieren (tv>il la’asot), omdat zich niet voldoende priesters geheiligd hadden en het volk niet in Jeruzalem samengekomen was. Dit verwierf de goedkeuring van de koning en van de gehele gemeente. Toen namen zij het besluit, een bevel te laten uitgaan door geheel Israël van Be’ersheva [Berseba] tot Dan, om in Jeruzalem de Eeuwige, de G’d van Israel, het Pesach te komen vieren, want men had het niet, zoals was voorgeschreven, algemeen gevierd. En er kwam veel volk te Jeruzalem bijeen, om Chag haMatzot [het feest der ongezuurde broden] in de tweede maand te vieren, een zeer talrijke gemeente. Toen maakten zij zich op en verwijderden de altaren in Yerushalayim [Jeruzalem], ook al de reukofferaltaren verwijderden zij en wierpen die in de beek Qid’ron [Kidron]. Daarna slachtten zij Pesach op de veertiende der tweede maand. Toen schaamden zich de priesters en de Levieten, zij heiligden zich en brachten brandoffers in het huis van Adonai. En zij stonden op hun plaats volgens de verordening, overeenkomstig de wet van Moshe [Mozes], de man G’ds. De priesters sprengden het bloed, dat de Levieten hun toereikten. Want, omdat velen onder de gemeente zich niet geheiligd hadden, waren de Levieten belast met het slachten der Pesachim [Paasoffers] voor ieder die ze niet zelf de Eeuwige kon heiligen, omdat hij niet rein was. Zeven dagen lang vierden de Israëlieten die zich te Jeruzalem bevonden, Chag haMatzot [het feest der ongezuurde broden] met grote vreugde. De Levieten en de priesters loofden de Eeuwige dag op dag onder begeleiding van instrumenten tot lof van de Eeuwige.” (b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 30:1-5, 13-17 en 21). Vooral vers 17 laat duidelijk zien dat het slachten van de offerdieren door de levieten in de voorhoven van de tempel niet de vaste gewoonte was, maar slechts bij uitzondering plaatsvervangend voor degenen gedaan werd, die daar zelf niet toe in staat waren. Iets dergelijks deed zich ook voor bij het bekende Pesach van koning Yoshiyahu [Josia]: “Daarop vierde in Yerushalayim [Jeruzalem], de Eeuwige het Pesach. Men slachtte het Pesach op de veertiende der eerste maand. Hij wees de priesters hun taak aan en wekte hen op tot de dienst van het huis van Adonai. Dient thans de Eeuwige, uw G’d, en zijn volk Israël; maakt u gereed naar uw families, overeenkomstig uw afdelingen, volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en volgens het voorschrift van zijn zoon Sh’lomo [Salomo]. Stelt u in het heiligdom op voor de familiegroepen van uw broeders, het gewone volk, en wel zo, dat de indeling der Levieten overeenkomt met die van de families; slacht het Pesach, heiligt u en maakt het gereed voor uw broeders en handelt overeenkomstig het woord van Adonai door de dienst van Moshe [Mozes]. Yoshiyahu [Josia] stelde het gewone volk ter beschikking kleinvee, schapen en geiten, die alle dienden als Pesachim [Paasoffers] voor ieder die zich daar bevond, ten getale van dertigduizend; benevens drieduizend runderen. Deze waren uit de have des konings. Zijn vorsten stelden een vrijwillige gave ter beschikking van het volk, de priesters en de Levieten. Chil’qiyahu [Chilkia], Z’char’yahu [Zekarja] en Yechi’el [Jechiel], de oversten van het huis G’ds, gaven aan de priesters voor de Pesachim [Paasoffers] tweeduizend zeshonderd stuks kleinvee en driehonderd runderen. En Konan’yahu [Konanja] en zijn broeders Sh’mayahu [Semaja] en N’tan’el [Netanel], benevens Chashav’yahu [Chasabja], Y’i’el [Jeiel] en Yozavad [Jozabad], de oversten der Levieten, stelden voor de Pesachim [Paasoffers] ter beschikking van de Levieten vijfduizend stuks kleinvee en vijfhonderd runderen. Toen werd de dienst geregeld: de priesters gingen op hun plaats staan, evenzo de Levieten, overeenkomstig hun afdelingen, naar het gebod van de koning. En zij slachtten het Pesach, en de priesters sprengden het bloed, dat de Levieten hun toereikten, en dezen trokken de dieren de huid af. Zij zonderden de brandoffers af, om ze te geven aan de familiegroepen van het gewone volk, om de Eeuwige een offer te brengen, zoals geschreven staat in het boek van Moshe; evenzo deden zij met de runderen. Zij kookten het Pesach op het vuur, overeenkomstig de verordening; de heilige stukken kookten zij in potten, ketels en pannen, en zij brachten die met spoed aan heel het gewone volk. Daarna maakten zij het gereed voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aharon [Aäron], waren tot in de nacht bezig met het offeren van het brandoffer en van de vetstukken. Daarom maakten de Levieten het gereed voor zichzelf en voor de priesters, de zonen van Moshe. En de zangers, de B’nei Asaf [Asafieten], waren op hun post overeenkomstig het gebod van David, Asaf, Heiman [Heman] en Yeduton [Jedutun], de ziener des konings; ook de poortwachters bij elke poort. Zij behoefden hun dienst niet te onderbreken, want hun broeders, de Levieten, maakten het voor hen gereed. Zo was de gehele dienst van Adonai op die dag voor de viering (tv>il la’asot) van het Pesach en het offeren van de brandoffers op het altaar van Adonai geregeld, overeenkomstig het gebod van koning Yoshiyahu [Josia]. De Israëlieten die zich daar bevonden, vierden (v>iy ya’asu) toen het Pesach benevens Chag haMatzot [het feest der ongezuurde broden], zeven dagen lang. Zulk een Pesach was in Israël niet gevierd sinds de dagen van Sh’mu’el haNavi [de profeet Samuël]; geen der koningen van Israël heeft het Pesach gevierd zoals Yoshiyahu [Josia] het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Yehuda [Juda] en Yisra’el [Israël] en dat zich daar bevond, en met de inwoners van Yerushalayim [Jeruzalem]. In het achttiende jaar van de regering van Yoshiyahu werd dit Pesach gevierd.” .” (b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 35:1-2, 3b-19). Ook hier waren de priesters en levieten slechts plaatsvervangend bezig, maar zeker niet structureel zoals in de tweede tempelperiode. Nog later, ten tijde van Ez’ra [Ezra], lezen we van de priesters en de Levieten, die zelf rein waren het Pesach gingen slachten voor allen die in de ballingschap geweest waren en onrein waren: “En op de veertiende van de eerste maand vierden zij die in de ballingschap geweest waren, het Pesach. Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een man; zij allen waren rein; zo slachtten zij het Pesach voor allen die in de ballingschap geweest waren, en voor hun broeders, de priesters, en voor zichzelf. De Israëlieten, die uit de ballingschap waren teruggekeerd, aten het, en tevens ieder die zich van de onreinheid van de heidenen des lands afgescheiden en zich bij hen gevoegd had, om de Eeuwige, de G’d van Israel, te zoeken. Ook vierden zij het feest der ongezuurde broden met vreugde, gedurende zeven dagen, want de Eeuwige had hen verblijd; Hij had het hart van de koning van Ashur [Assur] tot hen gewend om hen te steunen bij de arbeid aan het huis van G’d, de G’d van Israël.” (arza Ez’ra [Ezra] 6:19-22). Hedendaagse Messiasbelijdende gelovigen eten derhalve geen ritueel lamsvlees met de Pesach Seder niet omdat er geen tempel meer is, maar omdat Yeshua na de maaltijd de Matza brak en zei dat dit Zijn lichaam is dat gebroken is voor de zonden der wereld. Zijn lichaam heeft de plaats ingenomen van het Zevach Pesach, maar pas nadat Hijzelf het Zevach Pesach heeft gegeten en daarom heeft Yeshua bij het begin van de 14e Nisan de Pesach Seder gevierd volgens de voorschriften van de Tora, maar is tegen het einde van de 14e Nisan gestorven op hetzelfde tijdstip waarop de Farizeeën hun paaslam gingen slachten. Ik wil deze studie derhalve eindigen met het vervolg van de tekst waarmee ik begonnen ben: “De dag der ongezuurde broden kwam, waarop het Pesach moest geslacht worden. En Hij zond Keifa [Petrus] en Yochanan [Johannes] uit, zeggende: Gaat heen, maakt het Pesach voor ons gereed, opdat wij het kunnen eten. En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het gereed maken?” (Lucas 22:7-9). Waarom stelden zij deze vraag? Wij kunnen hieruit afleiden dat het voor hen niet vanzelfsprekend geweest kon zijn om het Zevach Pesach [Paasoffer] in de voorhoven van de tempel te slachten zoals door de Talmud gesuggereerd wordt, want dan hoefden zij het niet te vragen. Het moet nu wel glashelder zijn waarom Yeshua en Zijn discipelen zoals velen van hun volksgenoten het 'Pesach-aan-huis' vierden binnen de stadsgrenzen van Jeruzalem, waar de Eeuwige volgens ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 16:6 Zijn naam 'deed wonen'. Veel Joden offerden hun eigen lammeren op de door G’d bepaalde tijd - aan het begin van de 14e Nisan in de avondschemering bij zonsondergang. Laten ook wij als volgelingen van Yeshua de Pesach Seder vieren op het tijdstip waarop Hijzelf het vierde overeenkomstig de inzettingen van de Tora en niet langer meedoen met de tradities die geboden van mensen zijn. Ik wens u allen Chag Sameach, een vrolijk en gezegend feest!
Werner Stauder